Brug tussen oost en west
Vanaf 21 mei gaat het 9e Professional Program van start.
Zie voor meer informatie: Brug tussen oost en west
Vanaf 21 mei gaat het 9e Professional Program van start.
Zie voor meer informatie: Brug tussen oost en west
Column 29/2/2008, uitgesproken in de Ave academia vitae serie ‘Ik - Wij - Zij’, Deventer.

Willem B. Drees, hoogleraar godsdienstwijsbegeerte en ethiek, Universiteit Leiden
Religie kan een belangrijk element zijn in de identiteit van individu en groep, en daarmee verschillen tussen ‘wij’ en ‘zij’ markeren. Zelf heb ik daarmee te maken als hoogleraar godsdienstfilosofie en ethiek in Leiden. Bij mijn eerste college, nu ruim zes jaar geleden, sprak ik met de eerstejaars studenten van onze opleiding ‘wereldgodsdiensten’. Wat zijn typische kenmerken van godsdienst? Sommige studenten zagen religies als tradities en geloofsgemeenschappen, waarin mensen naar elkaar omzien en gemotiveerd worden tot naastenliefde. Anderen benadrukten de gerichtheid op ‘het Hogere’. Naastenliefde en liefde tot God: belangrijke aspecten van religie.
Die dag vlogen in Amerika twee vliegtuigen het World Trade Center binnen. Daarna hadden we het weer over religie. Het gaat om gemeenschap, maar daarmee kan religie ook leiden tot een groep die anderen buitensluit en afwijst. Gelovigen zijn ‘op God gericht’, maar daarmee bestaat ook het gevaar dat ze uit naam van God menen de absolute waarheid in hun zak te hebben, en op grond daarvan zeer drastisch kunnen optreden. We hebben op ‘11 september’ de ambivalentie van religie weer leren zien. En de pluriformiteit: het belangrijkste zijn niet de verschillen tussen religies als omvattende identiteiten, maar de verschillen binnen religies.
Enkele jaren later. Voor college hoorden we dat Theo van Gogh was vermoord. Een moslim legde helder uit wat Van Gogh bij zijn vrienden, bij jonge moslims in Nederland had opgeroepen. Daarmee riep deze student ook heftige reacties op, alsof hij de moord goed praatte. Dat deed hij niet, en dat wilde hij ook helemaal niet doen. Maar die reactie op zijn inbreng tekende een spanning die er voortdurend is in het spreken over religie, in het spreken over dat wat mensen heilig is: iedere poging om de situatie, de motieven en ideeën van radicalen te begrijpen, wordt gezien als het rechtvaardigen van radicaal gedrag. Het begrijpen en verklaren van extreme vormen van religie moeten we telkens weer onderscheiden van het rechtvaardigen.
In september 2006 begonnen we met overheidssubsidie een aparte opleiding ‘Islamitische theologie’. We kregen een schenking van het Sultanaat van Oman die een nieuwe leerstoel voor de bestudering van de islam in de Westerse wereld mogelijk maakt. Dankzij de extremisten, die in hun met hulp van Internet zelf geknutselde interpretaties totaal niet sporen met hun eigen traditie, is er ook behoefte aan goede kennis, aan serieuze bestudering, aan de opleiding van islamitische intellectuelen die een leidende rol kunnen gaan spelen in hun geloofsgemeenschappen. Dankzij de extremisten is er meer draagvlak voor genuanceerde bestudering van de islam en andere godsdiensten, in onderwijs, onderzoek, en publiciteit.
Hoe om te gaan met de variatie aan opvattingen? Hoe om te gaan met de meer gemarkeerde verschillen van ‘wij’ en ‘zij’?
Goedwillende mensen denken dat we misschien verder kunnen komen door te wijzen op een gemeenschappelijke oorsprong. Gaan jodendom, christendom en islam niet allemaal terug op aartsvader Abraham? Zijn de grote wereldreligies niet allemaal product van dezelfde fase in de menselijke ontwikkeling, zo rond het jaar 500 BCE als een periode waarin de grote profeten in Israel, de filosofen in Griekenland, en meer naar het oosten Boeddha, Zoroaster en nog wat anderen zouden zijn opgetreden?
Die gemeenschappelijke oorsprong is een uitvinding van aardige moderne mensen die graag verdraagzaamheid willen bevorderen. Het is een scheppingsverhaal over de oorsprong van onze religies.
Scheppingsverhalen combineren een beeld van het ware en het goede, van feiten en normen. Het scheppingsverhaal in zes dagen, met de zevende dag als rustdag, is een verhaal over de wereld, maar het is vooral een rechtvaardiging van de sabbat als rustdag. We moeten de zevende dag rust houden (een norm), omdat God dat bij de schepping ook deed (een feit). Argumentatief is zo’n redenering onzin; je kunt geen norm afleiden uit een feit. Maar psychologisch werkt het, bijvoorbeeld in reclames: deze shampoo is zuiver plantaardig - en dus goed. Alsof er geen plantaardige giften zijn. Filosofen noemen dit een drogreden, een redenering die niet goed verloopt. In dit geval de naturalistische drogreden, van een feitelijke claim naar een normatieve uitspraak.
Een godsdienstwetenschappelijk verhaal over de gemeenschappelijke oorsprong van religies kan de afstand tussen ‘wij’en ‘zij’ verminderen door ons neer te zetten als broeders en zusters, kinderen van één Vader. Als het bij de doelgroep aanspreekt, dan is het in sociaal opzicht goed. Maar je kunt een gezamenlijke oorsprong hebben, en toch elkaar naar het leven staan, zoals blijkt uit iedere broedermoord. Een gezamenlijke oorsprong is niet voldoende. Het is ook niet nodig; we moeten ook fatsoenlijk omgaan met groepen waarmee we deze gezamenlijke oorsprong niet zouden delen - denk aan aboriginals in Australië, de volkeren van Nieuw Guinea, of de ‘native Americans’. En een gemeenschappelijk oorsprongsverhaal sluit sommigen uit, vooral ‘orthodoxen’ die niet bereid zijn andere religies als nauw verwante wegen naar hetzelfde doel te zien.
Goedwillende mensen denken soms nog een andere basis voor gemeenschappelijkheid aan te kunnen wijzen. Alle religies zijn in essentie tot dezelfde conclusies gekomen, tot dezelfde aanbevelingen voor gedrag. Zijn niet in alle tradities regels te vinden die lijken op het gebod tot naastenliefde, zoals dat ook in het christendom te vinden is?
Zulke overeenkomsten zijn er te vinden, maar die gaan gepaard met substantiële verschillen. In de VS is door christelijke kerken orgaandonatie aangemoedigd (ook door kerken die fel tegen abortus zijn), vanwege het motief van naastenliefde, agapè. Dat is een opvatting van naastenliefde die niets met emotionele liefde te doen heeft, niet met eros maar ook niet met de liefde tussen ouders en kinderen. Het was liefde die ook vijanden zou moeten omvatten, ook personen aan wie je een hekel hebt. Agapè is een rationeel gedragen liefde die tegen iedere emotie in kan gaan. In Japan is de reactie op orgaandonatie en abortus juist andersom. Abortus is in het algemeen geen probleem, maar orgaandonatie - het schenden van het lichaam van een net overleden van familielid - staat op gespannen voet met de waarde toegekend aan de familiale verbondenheid, zodat hier grote bezwaren tegen blijken te bestaan. Niet dat er geen besef is van naastenliefde, maar het begrijp krijgt een andere betekenis. Er zijn overeenkomsten maar ook verschillen, en die verschillen zijn niet te veroordelen als ‘modern’ tegenover ‘achterhaald’. Op z’n minst zijn het verschillen die diep in de traditie geworteld zijn.
Ook andere pogingen om vooral op de overeenkomsten te wijzen, gaan volgens mij niet op. Het verzamelbegrip ‘religie’ is zelf een Westerse uitvinding. Eenmaal in dezelfde categorie gebracht, ging men het ook als soortgelijk behandelen. Zo denken we vanuit een Protestants en academisch vooroordeel dat heilige boeken er zijn om gelezen te worden, en vervolgens om uitgelegd en begrepen te worden. Zo werkt het niet: moslims in Indonesië die de Koran reciteren kennen vaak geen Arabisch; het gaat niet om het begrijpen van de tekst maar om recitatie als omgang met de tekst. Maar moderne moslims, zeker de radicalen, hebben de Westerse manier van omgang met de Heilige Schrift overgenomen: ze lezen die vanwege de inhoud, en beschouwen die inhoud als een handleiding voor het leven vandaag de dag.
Ook qua leiderschap is er een proces gaande van ‘gelijk maken’. In ziekenhuizen, gevangenissen en het leger worden geestelijke verzorgers aangesteld: priesters en dominees, humanistische raadslieden, en imams, rabbi’s, en pandits. Het zijn verschillende tradities, en dus hebben ze ieder een ander boek onder de arm, andere rituelen en andere feesten, maar ze worden geacht hetzelfde te doen: geestelijke verzorger te zijn. Dat de imam in eerste instantie een gebedsleider is wordt genegeerd – de imam wordt geacht in de Nederlandse samenleving op eenzelfde wijze te gaan functioneren als een dominee. Maatschappelijke regels leiden daartoe. Dat is niet verkeerd; het lijkt me dat we zo de veelkleurigheid enigszins een plaats kunnen geven. Maar het betekent: Religies zijn niet hetzelfde, ze worden hetzelfde gemaakt.
Zouden we het maar niet zonder religieuze identiteiten proberen? Mijn gewaardeerde Leidse collega Paul Cliteur pleit voor een moreel Esperanto, een neutrale taal voor moreel beraad. In het maatschappelijke debat is het niet functioneel, zo Cliteur, indien mensen religieuze argumenten gebruiken, want in een multiculturele en multireligieuze samenleving kunnen ze daar anderen niet mee overtuigen.
Esperanto is een kunstmatige taal, geschapen met het politieke doel te komen tot een gemeenschappelijke taal die niet van ëën bepaald land zou zijn, en die wijd verspreid zou zijn als tweede taal, om zo bij te dragen aan wereldvrede. Mijn bekende grootvader heeft de taal ook geleerd; het paste bij een bepaald politiek idealisme. Maar Esperanto is niet wereldwijd de tweede taal geworden. Politiek duikt het soms nog wel op. Zo heeft Iran het actief onderwezen ten tijde van Khomeini. Waarom? Om het Engels als wereldtaal uit te sluiten, en daarmee de Amerikanen dwars te zitten. Later is de regering van Iran Esperanto gaan bestrijden omdat Esperanto ook gepromoot werd door de Bahai’s, een onwelkome religieuze stroming die zich beriep op een profeet na Mohammed. Esperanto is geen neutrale taal, maar zelf een speelbal, een voorwerp van conflict. Dat zal ook voor moreel Esperanto gelden: de discussie speelt zich niet af binnen dat kader, met hulp van die gezuiverde taal. De strijd zal een discussie over die morele taal zijn. Een taal die rijk genoeg is om morele overwegingen uit te drukken, voorkeuren en achterliggende motieven, is een taal die cultureel geworteld is - en niet een taal die neutraal is. De gedachte dat het morele debat gevoerd moet worden in een neutrale taal sluit veel ‘orthodoxen’ uit, zij die geworteld zijn in een traditie en van die beelden en verhalen gebruik maken om hun waarden en gevoelens uit te drukken.
De droom van een neutrale taal berust op een te romantisch beeld van samenleven. Alsof het er om gaat elkaar volledig te verstaan en te begrijpen. Op het individuele niveau is het van belang ook ruimte geven voor de zwaarwegende wensen van je partner, zonder dat je die wensen per se deelt. Samenleven is een praktische uitdaging, niet een theoretisch tot eensgezindheid komen. We hebben geen andere taal of gemeenschappelijke identiteit nodig, maar tolerantie en randvoorwaarden waardoor wisselende meerderheden gevormd kunnen worden daar waar praktisch een besluit wenselijk is, waarbij rekening wordt gehouden met andersdenkenden. Moreel beraad vraagt geduld, niet instemming.
Wat mij betreft is een iets ouder onderscheid uit discussies over ethiek nuttig, namelijk het onderscheid tussen een brede en een smalle moraal. Een brede moraal is een moraal die veel aspecten van het leven omvat. In die zin zijn er veel verschillende pakketen van ‘brede moraal’. Schematisch (zoals dit hele verhaal): de brede moraal van Staphorst zal anders zijn dan die van de Amsterdamse binnenstad; er zijn andere codes over zwemmen op zondag en heel veel andere zaken. Smalle moraal is dat deel van de morele code dat we gezamenlijk hebben. Daartoe behoren regels zoals het niet doden van andersdenkenden, en ook de regels van het politieke proces. Ook die regels zijn voor discussies vatbaar, maar ze functioneren wel als gemeenschappelijk kader, als paraplu waaronder verschillende levensstijlen met ieder een eigen pakket aan morele en religieuze overtuigingen kunnen bestaan. Wat mij betreft werken we aan die gemeenschappelijke kern, maar is dat geen identiteit in de veelomvattende zin van het woord; het is een aspect van allerlei verschillende identiteiten.
De taak voor politiek beleid ten aanzien van religies is, lijkt me, bescheiden. De overheid is geen godsdiensthervormer; ook niet via de inrichting van het onderwijs. Maar door het scheppen van randvoorwaarden die sociale participatie mogelijk maken, met respect voor pluriformiteit, kan een ieder deelnemen aan morele en maatschappelijke discussies, met inbreng van eigen overwegingen aangaande dat wat heilig voor hem of haar is. De maatschappelijke en politieke taak is gelegen in het scheppen van randvoorwaarden voor pluriformiteit, in het streven naar verstandige hervormingen in plaats van de pretentie van volmaaktheid, en in het werken aan gelijke kansen en een sociaal vangnet, niet aan gelijke uitkomsten.
© W.B. Drees, Universiteit Leiden, 2008. www.religion.leidenuniv.nl.
Een uitgebreidere versie van dit betoog is op 16 oktober 2007 gepresenteerd in de serie ‘Wat ons bindt’, georganiseerd door VU Podium en de Rode Hoed (Amsterdam), en zal worden gepubliceerd in een op die serie lezingen gebaseerd boek.
Permalink Comments off
Have men dominated and exploited women? Isn’t it ridiculous that men occupy the majority of important positions, including academic chairs, and earn more than women? Was Larry Summers (former president of Harvard University, member of the Clinton cabinet) wrong to wonder whether the lack of women in the sciences is due to prejudices? I have always been inclined to say yes to all those questions. After reading a lecture by Roy Baumeister (delivered at the 2007 American Psychological Association conference) I have to reconsider my answer.
Baumeister points to the intriguing fact that 80 percent of women and only 40 percent of men have procreated. This means that a few men have lots of children (Genghis Khan apparently had 1000 or so) and lots of men have none. In the evolution of the species, so Baumeister suggests, men had to take risks in order to procreate. They had to stand out to stand a chance with women.
The real eye opener was his remark that if we look at the top men do visibly better—in terms of positions, rewards, achievements, and the like—but when we look at the bottom we also see many more men than women. Mostly men live in the gutters, occupy the prisons, and die in wars. Of the 3000 American war dead in Iraq only 62 are women. Baumeister concludes that men live more risky lives.
Baumeister attributes the differences between the sexes—the operation of gender—not to a difference in talent, or intelligence, but to a difference in motivation. Men are, more than women, motivated to take risks, to venture outside the home, to engage in many, often superficial, relations, to undertake risky expeditions and the like. Women are, more than men, motivated to work on intimate relationships, to take care of their homes and the like. According to him evolution makes sense of this difference in motivation. The caring behavior of women was essential for the survival of groups. That is why men were supposed to protect them. Men’s lives were dispensable and could be sacrificed in case of a real threat. (That is why 34 percent of the rich men versus 46 percent of the poor women survived the Titanic disaster).
This account helps me to understand the frictions I am experiencing with my wife. She used to complain about the amount of time and energy I spend on things and people outside the home, that I often do more for people I hardly know than for her and our children, that I have this ambition to prove myself in the outside world. We now understand (for it was she who drew my attention to the article of Baumeister) that is due to evolution. I as a man have to go out, be competitive, be ambitious at times, and engage in many more or less superficial relations, because it is my nature. Whereas it is in her nature to care for the home, to seek intimacy with me, and to be emotional about a time like Christmas (which is for me just hard work). Thanks to Baumeister, my wife and I have reached a mutual understanding. And I understand a little better why I am doing what I am doing.
What to say to the young fellow who does not see the fun of reading difficult texts. His preferred way of living is to work a little and spend as much time as possible with friends, drinking beer and watching movies. Why read, why study, why sit long evenings at a desk to work on an article or read what others have written? Why do all that when there’s not much money in it anyway?
I now and then run into a fellow like this (usually hanging out on a couch). What are the topoi (if you don’t know about rhetoric, topoi are the commonplaces, the repertoire of arguments you can draw from) that may have an impact on such a fellow? What would you say? And what would get him off that couch?
The entire economy is actually a service economy. If you think about it, nearly everyone works to serve others. People grow grain so others can eat, produce cars so others can drive, build so others can live, make movies so others are entertained, teach so others better serve other people. Consultants, therapists, coaches, and volunteers are only more explicit in their servitude.
So we dedicate our lives to help others along. As parents we breed children, as children we take care of parents, and if we do not have anyone to care for we say we are working for the sake of the generations to follow, so we continue helping others along.
If you look at human activity this way, the assertion that humans are selfish is silly. You also are inclined to conclude that all the work we do is simply occupational therapy: we keep each other busy to keep the circular flow going. What is the end of it all? What is the purpose? Society is like a club that is set up to serve its own sustenance.
What is wrong with this way of looking at the economy?
Which texts can we bring in to alter this picture?
Ruud Welten (Assistant Professor at the Academia Vitae) insisted we watch the movie Stalker by Tarkovski with our professional students. It took three hours and I felt rather stupid afterwards. Others I spoke with during a restroom break before our discussion about it had the same feeling. We could not make sense of it. One was even somewhat upset for having wasted so much time on something like this.
We started our discussion sharing what we had seen. No interpretation (although that proved to be difficult). That became one eye opener: how much I, and the others, had seen when we began listing details. I was struck by the fact that I had become aware of the camera, and the presence of the person holding the camera. (Maybe I was influenced by the information that Ruud had given us before we started to watch, in particular the strange fact that several of the crew had died ten years later from the same type of cancer.) We noticed the role of time—the drawn out episodes like the drive into the forbidden zone (that had put me to sleep)—the dream-like scene, the objects in the water, the books in the dwelling of the stalker. Even though we had felt stupid, we had observed a great deal.
In our interpretation we quickly got irritated with each other. Especially after Ruud had called this movie one of the greatest pieces of art ever, others, including myself, began to protest. I myself found the movie somber, devoid of hope and love, and humor and irony, and saw it as a typical self-indulgence, a surrender to a sense of somberness and darkness that I find too often among artists. No matter how seductive the descent into the dark rooms of the souls may be, what is so great about the getting lost in that descent? The group split. Some insisted on the beauty of the movie, the value of the mystery that it pictured, and its theme of the impossibility—or is it risk?—of wishing one’s innermost wish; others saw it mainly as a terribly long, slow, dark movie that had little to offer to the way our life. I belonged to the latter group. Later in the café, we continued our discussion. The question was who had experienced the dark side of life, and who had had the feeling that he was about to loose his grip. We also concluded that we were the stalker, eager as we are to guide, advise, and coach other people to do the things we are not capable of doing. (The stalker is not allowed in the room in which your innermost wish will be fulfilled.) We talked some about the roles of the Scientist and of the Writer. Most thought that the Writer improved in the course of the expedition.
The eye opener here is—although I had learned this before at Academia Vitae—that a good movie provokes, that it causes resistance and even anger, and that its deeper meanings come about in conversation. By having talked about a movie like this one—and by now writing about it—I will never forget it. I suspect that it will be a source for certain insights. I only do not know yet what those insights will be.
Incidentally, the participant who was most upset about having wasted his precious time to watch this movie told us the next day that his final essay will probably be about Stalker.
I suspect that the movie will be on the program more often.